Kerstgedachten

Kerstgedachten              Door: Frans Esselink

Een waar gebeurd verhaal.

Het was stil in het dorp. De winteravond was koud en er stond een gure wind die dwars door de versleten winterjas van Lies sneed. Ze was op weg naar haar oude buurvrouw Stien, die met een gezwollen enkel aan haar stoel gekluisterd zat. Het was half december 1944. De Duitse vijand was in het dorp ingekwartierd en Stien, die alleen in een boerderijtje leefde, had inwoning van drie soldaten. De dorpsbewoners hadden te lijden onder het schrikbewind dat door hen werd gevoerd, maar voor Stien waren het aardige jonge mannen die in haar een vervangende moeder zagen. In hun vrije tijd werkten ze voor haar op het boerderijtje. Ze voerden de kippen en maakten het nachthok schoon.

 

In het schuurtje naast het kippenhok hielden ze een varken, dat ze van een boer hadden gevorderd om op te eten. Lies klopte op de achterdeur en liep via een kleine deel de keuken binnen. Op een versleten stoel zat Stien knikkebollend naast het fornuis. Ze schrok wakker door de piepende scharnieren van de keukendeur.

‘O, ben jij het,’ zei ze terwijl ze met haar door reuma gekromde vingers haar ogen uitwreef.

‘Blijf maar zitten,’ begroette Lies haar. ‘Ik zal een pot lekkere thee voor je zetten. ’Uit haar jaszak haalde ze een bruin papieren puntzakje dat ze thuis had gevuld met thee uit de voorraad die ze drie weken daarvoor had gekregen van de kruidenier die in een klein pand aan de Dorpsstraat zijn schaarse levensmiddelen verkocht. Lies schepte een volle theelepel in de stenen theepot. Het water in de ketel op het fornuis was lauw. Ze stak het eenpits butagasstel aan en zette de ketel op het vuur.

‘Zal ik een eitje voor je bakken?’ stelde Lies voor
‘Dat lijkt me lekker met een snee wittebrood,’ zei Stien. ‘Je moet dan wel wat eieren uit het kippenhok halen. Er staat een mandje in de schuur.’

Lies liep naar het schuurtje dat de doordringende geur had van varkensmest. Achter een houten schot lag het varken dat niet eens de moeite nam om te kijken naar de bezoekster. Terwijl ze het eiermandje zocht ontdekte ze in een donkere hoek van de schuur een flinke berg aardappelen. Nadat ze thee had gezet en een boterham met gebakken ei had klaargemaakt vroeg ze aan Stien hoe ze aan de aardappelen kwam.

O,’ zei ze, ‘die hebben mijn soldaten meegebracht. Ze voeren ze aan het varken.’

Die nacht lag Lies wakker omdat ze de aardappelberg niet uit haar gedachten kreeg. Ze realiseerde zich dat in de stad mensen uitgehongerd waren en hier werden kostbare aardappelen opgevoerd aan een varken. Natuurlijk moesten beesten ook eten maar het varken kon het ook doen met schillen en ander afval.

De volgende ochtend kwam haar vriendin een kopje thee drinken. Lies vertelde haar over de aardappelen en stelde voor er wat weg te nemen. Samen maakten ze een plan.

Het was elf uur en de maan was verdwenen achter zware sneeuwwolken. Met twee lege jutezakken onder hun jassen verstopt slopen Lies en haar vriendin naar het schuurtje van Stien. Ze beseften dat ze zwaar gestraft zouden worden als iemand hen ontdekte. Ongezien kwamen ze bij het schuurtje. De teleurstelling was groot toen ze zagen dat de deur was afgesloten met een hangslot. Ontgoocheld liepen ze om het schuurtje heen en aan de achterkant ontdekten ze een gebroken ruit. Het gat was opgevuld met een stuk karton. Lies haalde het stuk karton weg en perste zich door de ontstane opening. Haar vriendin gaf een jutezak aan en met twee handen vulde ze hem voor de helft. De zak paste net door de opening en nadat ze de tweede zak op dezelfde wijze had gevuld perste ze zich weer naar buiten. Ze namen ieder een zak over de schouder en liepen door de weilanden weer naar huis. In de schuur van Lies ontdeden ze zich van de zware last, die ze onder een stapel brandhout verstopten.

Lies was zenuwachtig toen ze de volgende middag bij Stien op bezoek ging. In de keuken trof ze haar aan, maar er waren ook twee soldaten. Lies probeerde zo normaal mogelijk te doen maar haar hart sloeg enkele slagen over en ze moest snel gaan zitten omdat ze bang was dat haar trillende benen haar niet langer zouden dragen.

‘Heb je vannacht iets verdachts gezien of gehoord?’ snauwde de oudste soldaat.
‘Wat moet ik gezien hebben?’ vroeg Lies terwijl ze zo verbaasd mogelijk probeerde te kijken.
‘Iemand is zo brutaal geweest het voer voor het varken te stelen,’ kreeg ze als antwoord.
‘Het is toch erg dat mensen elkaar bestelen,’ zei Lies verontwaardigd.

De volgende dag werden de schuren en woningen in de buurt doorzocht. Rond elf uur kwam een soldaat zich melden. Hij keek in de kelder, onder het bed en op de bovenverdieping. Daarna liep hij naar de schuur. Zo snel als ze kon schudde ze wat thee in de theepot, die ze vulde met water uit de ketel die op het fornuis stond. Met lood in haar schoenen liep ze naar de schuur. Ze zag dat de soldaat enkele houtblokken van de stapel verschoof.

‘Ik heb een lekker kopje thee klaarstaan,’ zei ze met een lichte trilling in haar stem van de zenuwen.
De man keek op en zonder zich verder om het hout te bekommeren liep hij naar haar toe.
‘Dat heb ik vanmorgen nog niet aangeboden gekregen,’ zei hij met een vriendelijke lach.

Hij liep achter haar aan naar de keuken en bij het inschenken van de thee was ze voldoende gekalmeerd om dat zonder morsen te doen.

Jan Moors, een oom van de vriendin van Lies, was kleermaker en woonde met zijn vrouw en vier kinderen in de stad. Er was geen werk voor hem en het gezin leed honger. De vriendin had oom Jan laten weten dat er aardappelen waren en op de dag voor kerstmis kwam hij op een fiets met houten banden om de aardappelen op te halen. Hij had een gouden armband voor Lies meegebracht maar die wilde van geen betaling weten.

‘Ik heb ze ook maar gekregen,’ zei ze. ‘Eet er maar lekker van.’

Op eerste Kerstdag zat Lies met haar man aan een maaltijd met spruitjes uit eigen tuin en gebraden houtduif die haar man in de ochtend had geschoten. Het gaf haar een vredig gevoel om te weten dat Kerstmis ook voor het gezin van oom Jan een feestelijke dag was.

Nu, bijna tachtig jaar later, leven we in ons land nog steeds in vrede. Natuurlijk worden we door corona beperkt in ons doen en laten en dat maakt mensen ontevreden, maar laten we vooral kijken naar wat we hebben. We hoeven geen aardappelen te stelen en ook met drie gasten aan tafel kunnen we het toch nog feestelijk maken.
Als Gelders Politie Mannenkoor zijn we gewend om in verschillende verzorgingshuizen de kerstsfeer te brengen, maar dat moeten wij dit jaar helaas overslaan. We verwachten dat we in het nieuwe jaar de draad weer kunnen oppakken. Voor nu wens ik u, mede namens het koor, gezellige en vredige feestdagen toe.